Ons beiden vreemd

Ik ontmoet hem opnieuw in een cultuur die ons beiden vreemd is.

Jaren geleden was ik in Manhattan terecht gekomen. Per ongeluk. Uit een luchthaven in transit uitgespuwd op mijn terugweg uit Peru. Acht uren lang had ik gefietst tussen gebouwen zo hoog dat ik ze wil met wolkenkrabbers vergelijken die enkel daar bestaan waar ik ze aanschouwde. Ik heb gehuild op die fiets. Dikke ronde zoute tranen bolden over mijn dikke wangen. De zon brandde ze genadig teniet. Het was juli. En op de tv-schermen overal in de stad probeerde Nederland tevergeefs van Spanje te winnen in de finale van de wereldbeker. Ze dwaalden rond in de stad. In het oranje geklede gekken.
Ik kocht een hoedje in Sex and the City stijl om bij de stad te horen. Want ik was in niemandsland. Nog geen etmaal geleden had ik na drie maanden het regenwoud van Iquitos in Peru verlaten. En nog geen etmaal later zou ik in een stad zijn die ze thuis noemen. Brussel was niets van alles wat het ervoor was. Manhattan was dat ook niet. Verloren liet ik de wolkenkrabbers op me vallen. Mijn laatste energie liet me uit het puin kruipen en plots fietste ik tussen de paarden van Central Park. Enkele uren later beloofde het Vrijheidsbeeld me gevangenis tot het einde der tijden. Het was nooit te vatten. De stad was niet te ontsluiten in acht uren.

Ondertussen is de stad een noodzakelijk kwaad geworden om hem te kunnen bezoeken. Ondertussen dwaal ik met een rugzak op mijn rug en een trolly met onwillige wieltjes achter me aan slepend over de tarmac van de metropool. Ondertussen houd ik van de stad, waar ik nog nooit een nacht spendeerde, alsof ik er dagelijks over de straten hang en er mezelf via slinkse wijzen in leven hou. Ik zit uren voor me uit te staren op Broadway, kilo’s bagage slingerend om me heen, en ik lees alle gesprekken van de medebewoners om me heen. Ze personifiëren tragikomedie en ik voeg er nog wat extra drama aan toe. Dat drama zal ik later vertellen aan eenieder die wil luisteren. Want ik heb de stad gezien. Ik heb haar inwoners ontleed. Daar ben ik zeker van.

Minder dan een etmaal ben ik van hem verwijderd. We hebben elkaar drie maanden niet gezien. Drie maand geleden nam ik afscheid van hem in de grand taxiplace van Dakar, Senegal waar hij een sept-place richting Banjul, Gambia nam en ik schreeuwend en huilend halvelings de sept-place achterna liep. Stikkend en verstrikkend werd ik in bedwang gehouden door iemand. Iemand die me zei dat het moest stoppen. Dat gehuil. Dat het goed kwam.
Ik zag hem doodgaan. Ik wist zeker dat ze hem gingen doden. Ik wist zeker dat ik het mezelf nooit verder in mijn leven zou vergeven hem in die sept-place te laten stappen.
Drie maand later ben ik weg van het donkere continent en stap ik in een continent dat tevergeefs lichtheid claimt.
En omdat zelfverloochening soms loont stap ik mee. In haar verlichte voetstappen. In die bus van Megabus die me zeventien uren later in het zuiden eruit gooit.
Knoxville, Tennessee, de Verenigde Staten. Hier wilden we beiden nooit zijn. Hij heeft een grap met zijn tweelingbroer kunnen vermijden. Deze wilde me tegemoet komen en mijn liefde opeisen. En hoe misplaatst grappig het zou zijn als ik in mijn verwardheid hem zou kussen. Maar hij wint over het leven en over zijn broer.
Ik hou hem in mijn armen en hij leeft nog.

Hij heeft een job die hem de geur geeft van het product dat hij urenlang staat te bakken. Zijn nieuwe pak is rood en zwart, en er is zelfs een bijpassend petje dat zijn rol als clown vervolledigt. Ik zit op een veilige afstand koffie te drinken en doe alsof ik mijn boek schrijf. De wifi van de zaak geeft mij de bescherming van een eindeloze stroom muziek via youtube.
Ondertussen laat ik mezelf op de koffie trippen en sla ik hem gade. Zijn nieuwe pak gelijkt in niets op het mooie kostuum dat hij altijd droeg in zijn kantoor als eindredacteur van Standard Newspaper in Gambia. Hij is van de meest sexy man tot de meest banale man omgetoverd. En dat heeft enkel kledij en een continent gekost.

De pijn die dat doet en deed mag ik nooit tentoon spreiden. “Hey hun have you seen how much I had to work?” “Yes I did. Am so proud at you.” Ben ik dat? Ik doe zo hard mijn best dat te zijn, maar ik kan enkel maar de pijn voelen. De pijn van alles wat samen met zijn journalistenpak is verdwenen. Hier staat hij tussen een bizar volk hamburgers om te draaien. En dat zou nog allemaal ok zijn moest hij dat volk kunnen vertellen wie hij was en is. En dat het tijdelijk is. Dat het dat is of een gevangenispak in de gevangenis van Mile 2. Ik sluit mijn ogen en daar zit hij opnieuw aan zijn bureau, bezig met het redactiewerk van een of ander artikel. Ik open ze en daar staat hij. Rood en zwart en met een pet en in een wereld waarin zijn lichaam vreemde kronkels maakt. En ik kan hem er niet op attent maken. En voor ik het weet praat ik met hem over hamburgers. En praten we niet meer over politieke problemen of vrouwenbesnijdenissen in zijn thuisland. Elke urgentie voor elk urgent thema heeft zijn urgentie verloren. Hij zwemt rond in een land dat niet van hem is, en hij probeert hardnekkig niet te denken aan die plastiek zak rond zijn nek, en die verdrinkende waterspuiten urenlang in dat kantoor van de geheime diensten. En ik probeer hardnekkig hem er niet aan te laten herinneren. En zo leven we samen, nooit eerder zo ver van elkaar, in een droom die de nachtmerrie evenaart waar we beiden uit ontsnapten.