Hij was amper zestien

Ik ben in de VS en ik kan hen niet vertellen dat ik in de VS ben. Ik ben in de VS en ik heb mijn vliegticket bemachtigd door mijn woonplaats te verhuren, maar ook dat kan ik hen niet vertellen. Want ze zullen het niet begrijpen. Het doorverhuren en het geld uitsparen en die tickets kopen die ik anders nooit kon bekostigen.

Ze zullen het niet begrijpen en ze zullen denken dat ik rijk ben. Ze zullen nooit begrijpen dat ik maanden in Afrika overleefde op het spaargeld dat mijn landgenoten in de aankoop van een pand stoppen. Ze zullen nooit begrijpen dat dit geld wat vele anderen gebruiken voor de standvastigheid van hun leven, een huis, meubels en een kinderkamer. Dat ik dat geld in Afrikaanse omzwervingen stop, en terugkom wanneer het op is.

Dus ben ik in België. Ik ben in België en ik doe ontzettend mijn best om de verwarring met de uurverschillen op te lossen en te doen alsof ik nog langer op ben dan ik hoe dan ook altijd ben. Ik speel mijn rolletje “want Annelies, zij slaapt écht nooit.” Ja inderdaad. Soms.

En hij belt mij. Zijn naam is Alieu. En hij is in Italië. Ik heb hem nooit gezien. Maar hij heeft me gehoord. Via zijn favoriete radioshow van Fatu Camara heb ik hem onrechtstreeks toegesproken. Toen is hij erin geslaagd doorheen de tientallen Gambiaanse vriendschapsverzoeken op Facebook te breken en mij een online vriend te noemen.

Ondertussen hebben we uren gebeld en blijkt het dat hij zijn verhaal aan het neerpennen is. Een computer is nog steeds ver van zijn vermogen maar af en toe vindt hij pen en papier en daarop staan de geheimen van de gelukzoeker neergekrabbeld.

“Mijn broer is dood. Hij was amper 16 jaar oud.”
De stilte die valt kan ik niet opvullen.
“Hij was onderweg naar Italië en hoe hard ik het ook probeerde hem dat te ontraden, het is me niet gelukt. Hij heeft het toch gedaan, en enkele dagen geleden is hij verdronken in de Middellandse Zee.”
Ik moet iets zeggen. Ik weet dat ik dat moet. Dat wordt van mij verwacht. Dat wordt reeds maandenlang van mij verwacht. Tragisch verhaal na tragisch verhaal heb ik moeten aanhoren. En ik ben de baken van troost geworden. Aan mijn woorden zullen ze zich laven. Mijn woorden zullen alles oplossen. Ik sta onder de hoogspanning van verwachtingen en probeer elke kortsluiting te voorkomen.

Maar met Alieu lukt het niet. Mijn troostende woorden kunnen nooit troost bieden en ik ben me zo pijnlijk bewust van dat tekort. Ik kan zijn broer niet terugbrengen en we verliezen samen. We huilen ook samen maar ik zorg ervoor dat hij mijn tranen niet hoort. Ik ijsbeer met de telefoon in mijn rechterhand over de tapis plain van het appartement in het land waar ik nooit zal thuis zijn. Er is veel plaats om te ijsberen. Sinds weken proberen we de bedbugs uit de tapijten, zolderingen en matrassen te verwijderen. Elke ochtend heeft dit ongedierte meer bloed uit mijn lichaam gezogen. En ik sla ze tevergeefs dood als ik ze naast mijn hoofdkussen zie liggen. Ze zullen altijd winnen. De kleine bloedzuigers hebben me de ruimte van het heen en weer lopen gegund omdat we alle meubels van de hand hebben moeten doen. Ik woon en werk en schrijf in een huis met jeuk, eenzaamheid en leegte. Maar dat moet ik Alieu niet vertellen. Zijn broer van 16 is zo net verdronken in de meest genadeloze zee en ik moet ervoor zorgen dat hij dat overleeft.

Er is niets. Er is helemaal niets wat ik hem kan zeggen. En het tekort aan woorden heeft me nooit meer getroffen. Ik heb me mijn ganse leven overal kunnen uitpraten. Ik ben gekend om het eeuwenlang dreinen, tot mijn woorden winnen.

Het is goedkoop maar het is gemeend en het is de waarheid; “Het is niet je schuld.” Ik kan nooit of te nimmer zijn broer terug laten leven, maar ik kan er wel voor zorgen dat hij niet ten onder gaat aan schuldgevoel. Ik moet er dus alles aan doen om hem te laten overleven en steeds opnieuw te vertellen dat het niet zijn schuld is dat de zee zijn broer meenam. Dat hij het nooit had kunnen tegen houden. Omdat ik weet. Dat meer dan de dood. Het schuldgevoel erger kan zijn dan de dood. Het schuldgevoel meer doodt dan de zee dat doet.
Ik herhaal mijn woorden als een mantra. En ik herhaal ze na elkaar. Minuut na minuut en dag na dag. Omdat ik mezelf ken. Omdat ik weet dat een schuldgevoel enkel kan weggepraat worden. Er kan geen woord teveel gezegd worden. Ik moet hem hetzelfde verhaal vertellen. Dag na dag. En ik moet hem dezelfde troost geven. Dag na dag. Tot er iets is wat men tijd noemt die het heelt. Tot de pijn die nooit heelt een andere vorm aanneemt.